Voorleesverhaal

De reis van Babar

De huwelijksreis van Babar en Céleste loopt heel anders dan gepland. Een storm, een walvis en een circus brengen hen verder van huis dan ooit.

Laat dit verhaal inspreken

Het verhaal

Koning Babar en koningin Céleste staan klaar om op huwelijksreis te gaan. Hun grote gele luchtballon zweeft al boven het olifantenland.

“Tot ziens! Tot snel!” roepen de olifanten terwijl de ballon langzaam opstijgt.

Arthur, Babars kleine neef, zwaait zo wild met zijn pet dat die bijna wegvliegt. De oude Cornelius kijkt bezorgd naar de ballon die steeds kleiner wordt.

“Ik hoop maar dat er niets met ze gebeurt,” mompelt hij.

Hoog in de lucht genieten Babar en Céleste van het uitzicht. Onder hen glinstert de zee. Ze zien een stad met witte huizen, een haven vol boten en bergen in de verte.

“Wat een prachtige reis,” zegt Céleste.

“Kijk,” zegt Babar. “De grote blauwe zee.”

Maar midden boven zee verandert het weer. De wind wordt sterker. Donkere wolken pakken zich samen en plotseling zit de ballon midden in een hevige storm.

Babar en Céleste bibberen en houden zich met al hun kracht vast aan de mand. De ballon wordt heen en weer geslingerd en zakt gevaarlijk dicht naar het water.

Net als hij in zee dreigt te vallen, blaast één laatste windvlaag de ballon naar een eiland. Daar stort hij neer op het strand.

“Ben je gewond?” vraagt Babar meteen.

“Nee,” zegt Céleste. “En jij?”

“Ook niet. Kijk, we zijn veilig.”

Ze laten de kapotte ballon achter en zoeken met hun tassen een beschutte plek. Bij een rustige hoek van het eiland trekken ze hun natte kleren uit. Céleste hangt ze aan een lijn tussen twee bomen. Babar maakt een vuur en kookt rijst.

Ze zetten een tent op en eten samen een warme, zoete rijstsoep.

“Eigenlijk hebben we het nog niet zo slecht op dit eiland,” zegt Babar.

Na het eten gaat Babar de omgeving verkennen. Céleste blijft bij de tent en valt diep in slaap.

Een groep eilandbewoners ontdekt haar. Ze hebben nog nooit een olifant gezien en denken dat ze een gevaarlijk dier is. Voorzichtig binden ze haar vast. Daarna vinden ze de kleren aan de waslijn en trekken die lachend aan.

Céleste schrikt wakker. Ze begrijpt niet wat er gebeurt en is bang dat ze nooit meer vrij zal komen.

Dan verschijnt Babar. Hij rent zo hard als hij kan op de groep af. Céleste weet zichzelf los te maken en samen jagen ze iedereen weg.

Sommigen proberen nog dapper stand te houden, maar als ze de twee grote olifanten op zich af zien stormen, vluchten ook zij.

Na alle drukte gaan Babar en Céleste aan de rand van de zee zitten. Op dat moment komt een walvis boven water om adem te halen.

Babar staat op en roept: “Goedemiddag, mevrouw Walvis. Ik ben Babar, koning van de olifanten, en dit is mijn vrouw Céleste. Onze ballon is neergestort. Zou je ons misschien van dit eiland kunnen meenemen?”

“Aangenaam,” antwoordt de walvis. “Klim maar snel op mijn rug. Ik ben onderweg naar mijn familie in de koude noordelijke oceaan, maar ik kan jullie onderweg ergens afzetten. Houd je goed vast!”

Babar en Céleste klimmen op haar brede rug. De walvis zwemt urenlang over de golven.

Een dag later is ze moe en stopt ze bij een klein rif. Precies dan zwemt er een school visjes voorbij.

“Ik eet er even een paar,” zegt de walvis. “Ik ben zo terug.”

Ze duikt onder water en zwemt achter de visjes aan.

Maar de walvis komt niet terug. Ze is tijdens het eten helemaal vergeten dat Babar en Céleste op het rif wachten.

“We waren nog beter af op het eiland,” snikt Céleste. “Wat moet er nu van ons worden?”

Babar probeert haar te troosten.

Urenlang zitten ze op de kleine rots, zonder eten en zonder drinkwater. Dan zien ze in de verte rook. Er komt een groot schip aan, met drie schoorstenen.

Babar en Céleste roepen en zwaaien met hun slurven en armen. Eerst ziet niemand hen. Dan wijst een passagier naar het rif.

Een reddingsboot wordt neergelaten. Onder luid gejuich worden de twee olifanten aan boord gebracht.

Een week later vaart het schip een grote haven binnen. Alle passagiers gaan van boord. Babar en Céleste willen ook mee, maar hun kronen zijn tijdens de storm verdwenen. Niemand gelooft dat ze koning en koningin zijn.

De kapitein sluit hen op in de stal van het schip.

“We slapen op stro en eten hooi alsof we ezels zijn,” moppert Babar. “Ik heb er genoeg van. Ik breek die deur open.”

“Wacht nog even,” zegt Céleste. “Ik hoor iemand aankomen. Laten we rustig blijven, misschien helpt hij ons.”

De kapitein verschijnt met Fernando, een beroemde circusdirecteur en dierentrainer.

“Hier zijn twee olifanten voor je circus,” zegt de kapitein. “Ik kan ze niet op mijn schip houden.”

Fernando neemt Babar en Céleste mee. In het circus moeten ze oefenen. Babar speelt trompet en Céleste danst in de piste.

Ondertussen is er thuis iets misgegaan. Arthur heeft een ondeugende grap uitgehaald met Rataxes, de koning van de neushoorns. Terwijl Rataxes lag te slapen, bond Arthur een rotje aan zijn staart. De knal liet de neushoorn van schrik hoog opspringen.

Arthur lachte zo hard dat hij bijna omviel.

Rataxes was woedend. Cornelius bood zijn excuses aan, maar de neushoornkoning wilde niet luisteren.

“Hier horen jullie nog van!” riep hij. “Ik zal Arthur straffen en het hele olifantenland laten zien wie de baas is.”

Zonder Babar voelt Cornelius zich machteloos.

In het circus blijven Babar en Céleste intussen dromen van thuis. Op een dag reist het circus naar de stad waar Babar vroeger woonde. Die nacht ontsnappen ze uit de tent en gaan ze naar het huis van de oude dame.

Babar vindt de weg zonder moeite. Hij belt aan.

De oude dame wordt wakker, trekt haar kamerjas aan en verschijnt op het balkon.

“Wie is daar?” roept ze.

“Wij zijn het, Babar en Céleste!”

De oude dame rent naar beneden. Ze is zó blij dat ze hen bijna niet meer loslaat. Babar en Céleste vertellen hun hele avontuur.

“We gaan niet terug naar het circus,” zegt Babar. “Binnenkort reizen we naar huis, naar Cornelius en Arthur.”

De oude dame laat hen eerst goed uitrusten. Ze geeft Céleste een schoon nachthemd en Babar een warme pyjama. Na een lange slaap ontbijten ze in bed.

In het circus ontdekt Fernando dat zijn olifanten zijn verdwenen. Clowns, medewerkers en politieagenten zoeken overal, maar Babar en Céleste worden niet gevonden.

Samen met de oude dame rijden ze naar het station. Voor ze naar het olifantenland terugkeren, rusten ze een paar dagen uit in de bergen. Ze skiën in de sneeuw en ademen de frisse lucht in.

Daarna vliegen ze verder. De oude dame reist met hen mee, want Babar wil haar eindelijk het grote bos laten zien.

Wanneer het vliegtuig landt, schrikken Babar en Céleste. Waar zijn Cornelius, Arthur en de andere olifanten? Overal staan afgebroken bomen. De bloemen en vogels zijn verdwenen.

Dan vinden ze de olifanten. Veel van hen zijn gewond.

“Wat is hier gebeurd?” vraagt Babar.

Cornelius vertelt dat Rataxes met zijn neushoorns is gekomen om Arthur gevangen te nemen. Er is gevochten en de olifanten hebben verloren.

“Dat is verschrikkelijk,” zegt Babar. “Maar we geven niet op.”

Céleste en de oude dame verzorgen de gewonden. De oude dame weet precies wat ze moet doen, want ze heeft vroeger als verpleegkundige gewerkt.

Babar gaat met Cornelius en de olifanten terug naar het kamp. De neushoorns bereiden zich al voor op een nieuwe aanval.

Dan krijgt Babar een idee.

Hij laat de sterkste olifanten achterstevoren staan. Op hun achterwerk schildert hij reusachtige ogen. Hun staarten worden felrood en rond de staart maakt hij een enorme mond. Arthur helpt zo hard hij kan met grote pruiken van bladeren en gras.

Wanneer de neushoorns aanvallen, zien ze boven de heuvel een rij gigantische, vreemde monsters verschijnen. Ze verstijven van schrik.

Precies op het juiste moment rennen de olifanten luid brullend naar beneden.

De neushoorns laten alles vallen en vluchten. Rataxes en zijn generaal Pamir worden gevangen. Beschaamd bieden ze hun excuses aan.

“De oorlog is voorbij!” roepen de olifanten. “Leve Babar!”

De volgende dag krijgen Babar en Céleste nieuwe kronen en prachtige feestkleren. Voor alle olifanten bedanken ze de oude dame voor haar hulp. Ze geven haar zingende vogels en een klein aapje.

Na het feest zitten Babar, Céleste en de oude dame samen onder de palmbomen.

“En wat ga je nu doen?” vraagt de oude dame.

“Ik wil een goede koning zijn,” antwoordt Babar. “En als je bij ons blijft, kun je mij helpen om alle olifanten gelukkig te maken.”

Laat iemand dit verhaal inspreken

Opa, oma, papa of mama spreekt dit verhaal in met hun eigen stem. Je kind luistert het ’s avonds terug, ook als die persoon er niet is.

Laat dit verhaal inspreken

Over dit verhaal

Vrije Nederlandse hertaling naar Le Voyage de Babar van Jean de Brunhoff, Éditions du Jardin des Modes, 1932. Gebaseerd op de volledige oorspronkelijke Franse uitgave. Het werk van Jean de Brunhoff is publiek domein in Nederland en andere landen met een beschermingstermijn van leven plus zeventig jaar.

Meer verhalen om voor te lezen

Babar, het kleine olifantje 8 min voorlezen De auto die vloog 8 min voorlezen De rode regenjas 2 min voorlezen

Alle verhalen